zaterdag, september 16, 2006

Diesel wordt goedkoper

Morgen/donderdag verandert de prijs van diesel en stookolie. Diesel en halfzware en zware stookolie worden goedkoper, extra zware stookolie wordt duurder.

Door toepassing van de programma-overeenkomst over de verkoopprijzen van de aardolieproducten, gelden vanaf donderdag 14 september 2005 voor volgende producten de hiernavolgende maximumprijzen (BTW inbegrepen):

Brandstof Nieuwe maximumprijs Prijsverschil
Gasolie wegvervoer -50S 1,0430 euro/liter -0,0360
Halfzware stookolie 461,99 euro/t -18,98
Zware stookolie 384,77 euro/t - 2,25
Extra zware stookolie (max 1 % zwavel) 338,19 euro/t + 7,60

De prijsverandering is volgens de Federale Overheidsdienst Economie, KMO, Middenstand en Energie het gevolg van de schommeling van de noteringen van de olieproducten op de internationale markten.

zondag, september 03, 2006

Kinderopvang

Uitgaven voor kinderopvang geven recht op fiscale aftrek. Sedert aanslagjaar 2006 (inkomsten van 2005) is een nieuwe regeling van kracht. We zetten op een rij wat u moet onthouden.

Het maximaal aftrekbaar bedrag voor de uitgaven voor kinderopvang blijft ongewijzigd. Het bedraagt nog steeds 11,20 euro per opvangdag en per kind. Dit bedrag geldt per oppasdag, ongeacht de duur ervan. De aldus betaalde bedragen zijn in principe volledig aftrekbaar van het totale belastbare netto-inkomen. Dat betekent dat de belastingvermindering aan het hoogste toepasselijke tarief wordt berekend (maximaal circa 53,5% inclusief gemeentebelasting).
Geen cumul

Ouders van kinderen jonger dan drie jaar moeten de nodige waakzaamheid aan de dag leggen. De aftrek van uitgaven voor kinderopvang is niet cumuleerbaar met de verhoogde belastingvrije som voor kinderen ten laste jonger dan drie jaar. Bij het invullen van de aangifte moeten de ouders zelf per kind moeten uitrekenen wat het voordeligste is: aanspraak maken op de verhoogde belastingvrije som (die slechts recht geeft op een belastingvermindering aan de laagste tarieven) of de aftrek van uitgaven voor kinderopvang. Deze keuze mag per kind gemaakt worden.
Voorwaarden

Opdat de uitgaven voor kinderopvang fiscaal aftrekbaar zouden zijn, moeten een aantal voorwaarden voldaan zijn. De vijf voorwaarden zijn:

* De uitgaven hebben betrekking op kinderen ten laste van de belastingplichtige die de leeftijd van 12 jaar nog niet bereikt hebben.
* De uitgaven vergoeden oppaskosten buiten de normale lesuren tijdens dewelke het kind onderwijs volgt.
* De uitgaven zijn betaald aan bepaalde instellingen of opvangvoorzieningen.
* De belastingplichtige die de uitgaven in mindering brengt dient beroepsinkomsten te ontvangen.
* De echtheid en het bedrag van de betaalde uitgaven worden verantwoord door bij de aangifte bewijsstukken te voegen.

Meer instellingen

De lijst van instellingen en opvangvoorzieningen werd fors uitgebreid. In de eerste plaats gaat het om instellingen erkend, gesubsidieerd of gecontroleerd door Kind en Gezin, Office de la naissance et de l'enfance of de Executieve van de Duitstalige gemeenschap of aan kinderdagverblijven of zelfstandige opvanggezinnen die onder hun toezicht staan. Nieuw vanaf aanslagjaar 2006 is dat ook uitgaven voor kinderopvang betaald aan enerzijds instellingen erkend, gesubsidieerd of gecontroleerd door de lokale openbare besturen of openbare besturen van de gemeenschappen of gewesten en anderzijds aan kleuter- of lagere scholen of met de school of de inrichtende macht verbonden instellingen of opvangvoorzieningen fiscaal aftrekbaar zijn. Dat betekent dat ook erkende jeugdwerkinitiatieven zoals kampen of opvang georganiseerd door jeugdbewegingen, ziekenfondsen, speelpleinwerkingen, ... onder de lijst vallen. De opvang moet wel minstens voor een halve dag zijn, moet binnen de schoolvakantieperiodes vallen en moet de opvang van kinderen als hoofddoel hebben. Dit laatste verklaart waarom de aftrek voor specifieke sport-, taal- of muziekkampen uitgesloten is.

Ook de opvang georganiseerd door de scholen zelf komt dus in aanmerking, zonder dat hiervoor enige vorm van erkenning, subsidie, controle of toezicht wordt vereist. Het volstaat dus dat de opvang georganiseerd wordt in opdracht van de school, die daarvoor een beroep mag doen op haar werknemers, opvangdiensten of vrijwilligers.
Beroepsinkomsten vereist

Uitgaven voor kinderopvang geven recht op een belastingvermindering. Daarom moet de belastingplichtige die de uitgaven in mindering brengt, beroepsinkomsten ontvangen. Met beroepsinkomsten worden niet alleen de inkomsten voortkomend uit de uitoefening van een beroepsactiviteit bedoeld, maar tevens vervangingsinkomsten (b.v. werkloosheidsuitkeringen), achterstallige lonen en pensioenen. Dat betekent dat de beroepsinkomsten die vrijgesteld zijn van belastingen (zoals sociale voordelen) of diverse inkomsten (zoals onderhoudsuitkeringen) niet in aanmerking komen. Het is evenwel voldoende dat één van beide partners beroepsinkomsten heeft ontvangen.

donderdag, augustus 31, 2006

Elektronische dienstencheques

Vanaf 1 september kan gebruik worden gemaakt van de elektronische dienstencheque. Het oude systeem met papieren cheques blijft bestaan, de gebruiker zal moeten kiezen tussen de elektronische en papieren versie.

Dat heeft minister van Informatisering en Werk Peter Vanvelthoven bekendgemaakt.

Het systeem van de elektronische dienstencheques werkt via de vaste telefoon, gsm of pc. De werknemer, bvb. een poetsvrouw, moet via de vaste telefoon of gsm van de gebruiker, dus de man/vrouw die beroep doet op de poetsvrouw, naar een gratis nummer bellen en zijn of haar gepresteerde uren registreren. Daarna moet de erkende dienstenonderneming via de pc en de gebruiker (via pc of telefoon) de prestaties nog goedkeuren.

De elektronische dienstencheque moet het systeem van dienstencheques nog gebruiksvriendelijker maken, aldus Vanvelthoven. Uit een enquete was gebleken dat 64 pct van de gebruikers bereid is over te stappen naar de elektronische versie.

De gebruiker krijgt de bestelde dienstencheques sneller ter beschikking. De onderneming is af van de papierwinkel en krijgt een snellere terugebetaling door Accor Services.

Vanaf 1 september kan men bij 165 bedrijven terecht voor de elektronische dienstencheque. Volgens Vanvelthoven is er een zeer grote interesse bij de diestencheque-ondernemingen.

Eind juli waren er bijna 342.748 gebruikers van de dienstencheque en eind 2005 bijna 29.000 werknemers. Het aantal erkende dienstenondernemingen steeg tot 1.289 eind juli. Sinds begin 2006 werden al 18.920.761 cheques aangekocht en 17.234.977 terugbetaald.

dinsdag, augustus 22, 2006

Pensioenhervorming

Minister van pensioenen Tobback heeft onlangs opgeroepen om over een hervorming van het Belgisch pensioenstelsel te beginnen nadenken. Hij vindt dat er slechts één pensioensysteem voor werknemers, zelfstandigen en ambtenaren zou moeten zijn. Volgens hem is het huidig stelsel niet aangepast aan het feit dat veel mensen tegenwoordig gemengde carrières kennen. De pensioenen zouden onoverzichtelijk en onberekenbaar zijn geworden. Daarom moeten we terug naar het tekenbord, om alles wat bestaat in vraag te stellen.

Binnen een tiental jaren moet een jonge man, in welke betrekking dus ook, zijn pensioenopbouw volgens nieuwe spelregels zien verlopen. Weliswaar moeten diegenen die in een bestaand systeem zijn begonnen, de gelegenheid krijgen om hun volle loopbaan in dat systeem te blijven. Een raad van wijzen moet een nieuw stelsel ontwerpen, zodat binnen tien of vijftien jaar iedereen die van school afkomt één stelsel wordt aangeboden.

Dat heeft met personal finance te maken omdat de koopkracht van de wettelijke pensioentoezeggingen vanaf 65 jaar, berekend als een vergelijkbare lijfrente bij een verzekeringsmaatschappij, voor de meeste gezinnen van het land een zéér belangrijk bedrag voorstelt. Voor de groep tot Jan Modaal denke men aan een tegenwaarde van 150.000 tot 300.000 euro, meteen het veruit grootste deel van het totaal vermogen voor die bevolkingsgroep.

Voor de toenemende groep van de vermogende gezinnen van succesvolle ambtenaren, werknemers en zelfstandigen zal het met waarden op 65 jaar gaande van 400.000 tot 700.000 euro, nog zeer vaak de helft tot één derde van het totaal vermogen betekenen.

Als men het economisch gedrag van gezinnen van allerlei komaf nagaat, kan men niet ontsnappen aan de vaststelling dat het wettelijk pensioen door de gezinnen bekeken wordt als slechts een van de vormen waarin ze hun vermogen aanhouden, niet als een extra of een uitzonderlijk gegeven. Er is niet ,,het wettelijk pensioen'' en dan de rest van het vermogen. Gezinnen plannen voor een totaal vermogen.

De kost die men zal gedragen hebben voor dat wettelijk pensioeninkomen zal voor al diegenen tot Jan Modaal relatief bescheiden zijn geweest; een andere manier om te zeggen dat deze groep een goede tot zeer goede return voor zijn bijdragen heeft gekregen. De gezinnen uit de groep van de vermogenden zullen in veel gevallen twee of driemaal meer hebben betaald dan de kostprijs van hun pensioenen. De werknemers- en werkgeversbijdragen zijn veel hoger dan wat nodig is om de loutere pensioenvoorziening van de groep van actieven te financieren.

Er zit dus een belangrijk extern herverdelingsaspect in de pensioenbijdragen, en het zo vaak ingeroepen ,,Mattheuseffect'' (,,aan wie heeft zal gegeven worden'') speelt hier helemaal niet. Die herverdelingskost meer spreiden over het geheel van de bevolking, in plaats van die te beperken tot de actieve werknemers, ware een stap in de goede richting en zou ook bijdragen tot een lagere arbeidskost.

Tobback jr. was overtuigender overgekomen als zijn hervormingsvoorstel ook wat meer ,,beef'' had geboden, en niet de helft van het artikel was aangewend om hoofdzakelijk een pleidooi te houden voor business as usual, namelijk het toekennen van een pensioenbonus hic et nunc, vlak voor de verkiezingen, lekker sociaal nivellerend, opdat iedereen zou weten wie het manna brengt.

woensdag, augustus 16, 2006

Energiebesparende uitgaven voor de woning

Uitgaven voor energiebesparende maatregelen in uw woning zorgen niet alleen voor een lagere energiefactuur. Sommige uitgaven geven daarenboven recht op belastingverminderingen. Zo bespaart u tweemaal.

Woning

Om van de belastingvermindering te kunnen genieten, moeten de uitgaven gebeuren in een woning zoals een huis, appartement of een studio. Energiebesparende uitgaven voor kamers in gemeenschappelijke gebouwen (kloosters, klinieken, weeshuizen, ...) of kamers voor studenten en seizoensarbeiders komen niet in aanmerking voor de vermindering in hoofde van de bewoner van de kamer. Om in aanmerking te komen is het niet vereist dat de belastingplichtige zelf de woning betrekt. De woning mag verhuurd worden, zowel voor privé- als voor beroepsdoeleinden.
Nieuw: huurders

De belastingvermindering wordt toegekend aan de eigenaar, de bezitter, de erfpachter, opstalhouder of vruchtgebruiker van de woning. Nieuw is dat vanaf dit aanslagjaar ook de huurder van de woning recht heeft op een belastingvermindering.

De belastingvermindering wordt per woning en per belastbaar tijdperk toegekend. Voor gezamenlijk belaste partners wordt de belastingvermindering evenredig tussen beide partners verdeeld. Dat gebeurt in functie van het aandeel van elke partner in het kadastraal inkomen van de woning. In de praktijk schrijft de fiscus echter voor om de verdeling te doen op basis van het eigendomsaandeel (of ander recht) van iedere partner in de woning. Indien de uitgaven gedaan zijn door huurders, wordt de belastingvermindering omgedeeld in functie van ieders netto belastbaar inkomen tegenover het totaal belastbaar inkomen van beiden.
De maatregelen

Niet alle energiebesparende werken komen in aanmerking voor een belastingvermindering. De wetgever heeft de maatregelen die recht geven op een belastingvermindering opgesomd. Het gaat om:

* De vervanging van oude stookketels
* De installatie van een systeem van waterverwarming door middel van zonne-energie
* De plaatsing van zonnecelpanelen voor het omzetten van zonne-energie in elektrische energie
* De plaatsing van dubbele beglazing
* Isolatie van daken
* De plaatsing van een warmteregeling van een installatie van centrale verwarming door middel van thermostatische kranen of door een kamerthermostaat met tijdsinschakeling
* De energie-audit van de woning
* Plaatsing van andere uitrustingen voor geothermische energieopwekking

De belastingvermindering

De opgesomde maatregelen geven steeds recht op een belastingvermindering van 40% van de gedane uitgaven. Deze belastingverminderingen zijn echter beperkt per belastbaar tijdperk en per woning. Voor een woning in aanbouw of verworven in nieuwe staat bedraagt de maximumvermindering 620 euro. Voor de vernieuwing van een bestaande woning bedraagt de maximumvermindering 750 euro. Hierbij moet opgemerkt worden dat het tijdstip van uitvoering geen belang heeft, maar wel het tijdstip van betaling of van een definitief verworven voorschot op de werken. Dit betekent dat voor aanslagjaar 2006 de betaling in 2005 moet plaatsgevonden hebben. Aangezien het gaat om een belastingvermindering is deze vermindering beperkt tot de verschuldigde belasting. Bijgevolg zal bij gebrek aan voldoende belastingen het resterende saldo niet terugbetaalbaar, noch verrekenbaar zijn in een daaropvolgend aanslagjaar.
Ook nieuwbouw

De belastingvermindering voor energiebesparende uitgaven is niet enkel van toepassing op bestaande woningen, maar ook op nieuwbouw. De wet vereist immers niet dat de werken een daadwerkelijke vervanging moeten zijn van verouderde installaties. Enige uitzondering is de vervanging van oude stookketels. Bijgevolg volstaat een plaatsing van een installatie die aan de door de wet bepaalde minima vereisten voldoet.
Uitsluitingen

De fiscus sluit wel enkele uitgaven expliciet uit voor de toepassing van een belastingvermindering. Energiebesparende uitgaven met betrekking tot een onroerend goed (of deel van een onroerend goed) dat door zijn aard uitsluitend een beroepskarakter heeft (bijvoorbeeld een atelier of een winkel), komen niet in aanmerking. De aard van het onroerend goed moet bewoning zijn.

vrijdag, augustus 11, 2006

Kadastraal inkomen

Of we nu in een bescheiden flat wonen of in een riante villa, of we moeten leven op enkele tientallen vierkante meter of een flinke tuin hebben en een stuk of wat buitenverblijven, vastgoed wordt in dit land altijd in twee stappen belast.
Het begint met de onroerende voorheffing, de ,,grondbelasting''. Je krijgt er een afzonderlijke afrekening voor - rechtstreeks in de bus - die binnen de twee maanden betaald moet worden. In tegenstelling tot de personenbelasting heeft de grondbelasting betrekking op het jaar zelf waarin ze verstuurd wordt.

De onroerende voorheffing wordt berekend op het kadastraal inkomen. Dat is de geschatte huuropbrengst van een woning, verminderd met de kosten voor herstellingen en onderhoud. In principe zou daarbij ook rekening moeten worden gehouden met de ouderdom van de woning, met de staat waarin ze verkeert en met de ligging.

Aanvankelijk was het daarom de bedoeling om de kadastrale inkomens om de tien jaar aan te passen aan de werkelijke evolutie van de huurwaarde. De laatste dateert van 1979 en gebeurde op basis van de huurwaarden op 1 januari 1975.

In 1990 werd de volgende perequatie voor onbepaalde tijd uitgesteld en (voorlopig?) vervangen door een automatisch indexering van de kadastrale inkomens. Door die indexering moet het basiskadastraal inkomen voor dit jaar verhoogd worden met 42,76 procent.

Op het resultaat van die ,,berekening'' wordt de onroerende voorheffing geheven, rechtstreeks door de gewesten. In Vlaanderen is dat 2,5 procent, in Brussel en Wallonië 1,25 procent. Daarbovenop komen meestal nog provinciale en gemeentelijke opcentiemen. Eén opcentiem is één procent bijkomende belasting.

Wie bijvoorbeeld een woning bezit in Sint-Niklaas, betaalt 295 provinciale en 1.325 gemeentelijke opcentiemen. In de praktijk wordt de 2,5 procent onroerende voorheffing die in Vlaanderen geheven wordt, eerst vermenigvuldigd met de provinciale opcentiemen, wat 7,375 procent oplevert, en vervolgens nog eens met de gemeentelijke opcentiemen, wat leidt tot een heffing van 33,125 procent.

Vervolgens worden beide percentages opgeteld bij het gewestelijk percentage - dus 2,5 plus 7,375 plus 33,125 geeft 43 procent. En dat percentage wordt vermenigvuldigd met het geïndexeerde kadastraal inkomen. Als dat bijvoorbeeld 1.700 euro bedraagt, betaal je dit jaar 731 euro onroerende voorheffing.

Wie op 1 januari van het jaar een woning in volle eigendom heeft, vruchtgebruiker is of opstalhouder, krijgt de rekening van de onroerende voorheffing toegestuurd. Wordt het huis achteraf binnen twaalf maanden verkocht, dan wordt meestal overeengekomen dat de nieuwe eigenaar een deel van de voorheffing terugbetaalt aan de oude eigenaar. Maar zo'n overeenkomst is niet ,,tegenstelbaar'' aan de fiscus. Voor de belastingen moet de nieuwe eigenaar pas betalen vanaf het volgende jaar.

Maar er zijn zoals steeds kortingen. De bekendste is die voor kinderen ten laste. Net als de meeste andere kortingen wordt ze automatisch toegekend, maar de eerste keer moet u ze wel aanvragen.

Toen de onroerende voorheffing nog een federale aangelegenheid was, werd gewerkt met een percentage op het kadastraal inkomen: tien procent per kind vanaf twee kinderen ten laste. In Brussel is dat nog altijd zo, maar slechts één van de twee kinderen moet nog ten laste zijn.

Wallonië werkt sinds 2004 met een vaste vermindering van 125 euro per persoon ten laste, ook als het geen kinderen zijn. Gehandicapten tellen dubbel. Als het om kinderen gaat, moeten er ook in Wallonië minstens twee zijn, en allebei ten laste.

In Vlaanderen geven sinds 1999 enkel kinderen ten laste recht op een vermindering, en ze moeten ten minste met twee zijn. In de praktijk hangt de effectieve korting sterk af van de provinciale en vooral van de gemeentelijke opcentiemen.

Als we opnieuw het voorbeeld van Sint-Niklaas nemen, blijkt dat een gezin met twee kinderen ten laste en een geïndexeerd kadastraal inkomen van 1.700 euro ruim 100 euro minder betaalt. De korting loopt op tot ongeveer 300 euro voor vijf kinderen ten laste.

Een vergelijking op basis van dezelfde opcentiemen met de situatie in Wallonië en Brussel leert dat de situatie in het zuiden van het land duidelijk gunstiger is. Hetzelfde gezin krijgt er een korting van 250 euro. In Brussel is dat 145 euro.

Gehandicapte kinderen tellen dubbel, ook in Vlaanderen, waardoor de korting dan ook wordt toegekend als er maar één kind is. Als de korting groter is dan de onroerende voorheffing, moet niets worden betaald.

Daarnaast is er een vermindering als u de woning volledig zelf bewoont en het totaal van de niet-geïndexeerde kadastrale inkomens van uw woningen in België niet meer dan 745 euro bedraagt. Dan spreekt de fiscus van een ,,bescheiden woning'' en dat geeft recht op een vermindering van 25 procent van het kadastraal inkomen.

Als het om een nieuwe of zelfgebouwde bescheiden woning gaat, wordt het kadastraal inkomen tijdens de eerste vijf jaar zelfs gehalveerd, als je tenminste geen bouw- of aankooppremie hebt gekregen.

In Vlaanderen wordt voor deze kortingen enkel rekening gehouden met de woningen die in dat gewest liggen. In Brussel en Wallonië kijkt men naar heel België. Als de woning in Vlaanderen ligt, wordt de vermindering automatisch toegestaan. In Brussel en Wallonië moet ze aangevraagd worden.

Het kadastraal inkomen kan ook worden verminderd als de woning niet gemeubileerd is en buiten de wil van de eigenaar minimum negentig dagen per jaar volstrekt niet gebruikt wordt en dus helemaal geen inkomsten oplevert.

Er is ook voorzien in een vermindering als de woning door omstandigheden buiten de wil van de eigenaar beschadigd werd, en als die beschadiging ten minste 25 procent van het kadastraal inkomen vertegenwoordigt.

Uiteraard wordt in die gevallen niet automatisch een korting gegeven, maar moet ze worden aangevraagd en gemotiveerd. In bijlage verwacht de fiscus een bewijs dat de woning inderdaad onbewoond of beschadigd is geweest. Tot daar de eerste stap, de onroerende voorheffing.

Maar daarmee is de kous jammer genoeg niet af. Het kadastraal inkomen (KI) vormt niet alleen de berekeningsbasis voor de onroerende voorheffing, het moet ook aangegeven worden in het aangifteformulier van de personenbelasting dat nu normaal zo ongeveer in uw bus moet zijn beland.

Tenminste, dat moet gebeuren als je eigenaar, bezitter, erfpacht- of opstalhouder (die het recht krijgt om op andermans grond gebouwen of beplantingen aan te brengen) of vruchtgebruiker van de grond, het huis of het appartement bent. De ,,naakte'' eigenaar, die het huis niet kan bewonen en er ook geen inkomen uit haalt (vaak door een erfenis), moet het KI niet vermelden.

Vanaf dit jaar moet het kadastraal inkomen evenmin aangegeven worden als je geen lening (meer) hebt lopen voor de financiering van de woning. En evenmin als je pas afgelopen jaar een lening (onder het nieuw systeem, zie volgende week) hebt afgesloten, zelfs als die lening maar een aanvulling was op een al eerder aangegaan krediet waarvoor je definitief van het belastingvoordeel hebt afgezien.

Maar de meesten onder ons moeten hun kadastraal inkomen dus nog steeds aangeven.

De opbrengst van de personenbelasting gaat, in tegenstelling tot de onroerende voorheffing, integraal naar de federale overheid. In functie van het gebruik dat van de woning wordt gemaakt, moet het KI daarom in de ene of in de andere rubriek van vak III worden ingevuld. Het bedrag dat daarbij moet worden vermeld, is altijd het niet-geïndexeerde KI, in euro, en zonder de cijfers na de komma. De fiscus past zelf wel de juiste index toe.

Ook hier staat de fiscus een aantal aftrekken toe. Om te beginnen is er de vermindering van het kadastraal inkomen met de intresten die betaald worden op een woonkrediet. Dat krediet moet, zoals de naam het zegt, bestemd zijn voor het bouwen of kopen, verbouwen of verbeteren van een huis of appartement. Op dat aspect gaan we volgende week dieper in.

Daarnaast is er ook een aftrek voor het huis waarin iemand zelf woont. Voor de inkomsten 2005 (aanslagjaar 2006) kan die oplopen tot 4.167 euro, verhoogd met 347 euro per persoon ten laste.

Om het aantal kinderen ten laste te bepalen, wordt gekeken naar het maximum aantal kinderen dat ooit op hetzelfde ogenblik ten laste is geweest, zelfs als dat al jaren geleden was, voor zover het nog altijd over dezelfde woning gaat.

Het is dus best mogelijk dat ouders die nog alleen overblijven in de gezinswoning waar ze vier kinderen hebben grootgebracht, een extra vermindering van 1.388 euro blijven genieten. Door de al relatief hoge basisaftrek en de redelijk gulle kortingen zullen in dit land maar weinig eigenaars personenbelasting betalen op hun vastgoed. Voor eigenaars die meerdere woningen hebben, liggen de zaken anders. Zij mogen de woning met het hoogste kadastraal inkomen inbrengen, als zij tenminste kunnen aantonen dat die ook effectief en regelmatig door henzelf wordt bewoond.

Maar ook hier is rekening gehouden met mogelijke speciale omstandigheden. Zo kan je je de situatie inbeelden waarbij iemand een eigen woning heeft, maar er ,,om sociale of beroepsredenen'' toch niet in woont.

Als je daarom een woning huurt en dus je eigen huis verhuurt, mag je het kadastraal inkomen van die eigen woning toch inbrengen alsof je er wel zelf in woont.

De vraag is uiteraard welke sociale of beroepsredenen dan wel kunnen ingeroepen worden om een eigen huis of appartement niet te bewonen. De fiscus is voor een keer nogal ruim in zijn interpretatie en aanvaardt onder meer een (te) grote afstand tussen de woning en de werkplek en/of de school van de kinderen.

Of misschien lopen de onderhoudskosten stilaan te hoog op of is die woning die je van je grootouders erfde niet aangepast aan de behoeften van het gezin maar wil je ze wel graag behouden. Of ben je intussen een dagje ouder geworden en kan je de trappen niet meer op? Een paar jaar later moet je mogelijk door ziekte of ouderdom verhuizen naar een bejaardentehuis of een verzorgingsinstelling, enzovoort...

Wie om een van die redenen zijn eigen huis verhuurt en zelf in een huurhuis of -appartement woont, mag het kadastraal inkomen van die eigen woning invullen naast de code 1100/2100, alsof hij er toch zelf in woont. Daardoor ontsnap je aan de verhoging van het kadastraal inkomen met 40 procent die van toepassing is voor tweede verblijven en woningen die verhuurd worden.

Niemand verplicht je uiteraard om te gaan huren. Je kan in die omstandigheden ook gewoon een tweede woning kopen. Je mag dan maar één kadastraal inkomen aangeven, maar je mag wel kiezen voor het hoogste. Het andere (lagere) KI moet je dan wel invullen onder code 1106/2106 (verhuurde woningen, privé doeleinden), waardoor het eerst met 40 procent zal worden verhoogd en dan belast.

zaterdag, juli 01, 2006

Dienstencheques

Het systeem van de dienstencheques heeft vorig jaar 210 miljoen euro gekost. Dat blijkt uit een nieuw evaluatierapport dat minister van Werk Peter Vanvelthoven woensdag in de Kamer heeft voorgesteld. De terugverdieneffecten zijn daarin verrekend. Ondertussen heeft het systeem al voor 28.933 jobs gezorgd.
Het rapport toont aan dat de doelstellingen van het systeem zeker worden gehaald. Er worden meer jobs mee gecreëerd dan verwacht, heel wat zwartwerk is via de dienstencheques witgewassen en iedereen - zowel de gebruikers, de werknemers als de bedrijven - is tevreden over het systeem.

Er is wel onzekerheid over de financiering, aangezien de dienstencheques steeds meer succes kennen - in 2005 steeg de vraag met 5 procent per maand - en de kost voor de overheid jaar na jaar toeneemt. De sp.a-minister neemt zich voor om de regering voorstellen voor te leggen voor een stabiele financiering van het systeem. Als opties noemt hij een aanpassing van de aftrekbaarheid van het systeem, of een verhoging van de prijs. Volgens de minister is dit echter ,,niet evident''.